Biografie

             

 

 

Drie fragmenten uit de biografie Jij Vuurbrenger over de sloper Jan Tuinsma.

 

Het werk…

In het oudste deel van Amsterdam, naast het Begijnhof achter de Kalverstraat, ligt een complex van oude gebouwen rond drie binnenplaatsen: het Burgerweeshuis. Een deel van deze gebouwen is al in de 15e eeuw gebouwd als het nonnenklooster van Sint Luciën. (Het kleine Amsterdam van voor de Alteratie (1578) herbergde 16 vrouwen- en 3 mannenkloosters.) Nu, in 1960, betrekken de wezen een modern tehuis aan de rand van de stad en de gebouwen van het oude weeshuis zullen in gebruik worden genomen door het Amsterdams Historisch Museum. Deze herbestemming wordt aangegrepen om op deze plaats een stuk ontstaansgeschiedenis van de stad grondig te onderzoeken. Het oude weeshuis wordt ontmanteld.

In de loop van de eeuwen zijn de gebouwen voortdurend aangepast en uitgebreid. De eerste opdracht nu is bedoeld om via de verschillende fasen terug te keren tot de meer oorspronkelijke gedaanten van de gebouwen. Steentje voor steentje als het ware moet worden verwijderd.

Als Jan, belust op dit interessante en ‘grote werk’, zich aanmeldt, ziet hij dat de opzichter, ingenieur Schuurman, die dit project zal aansturen, Lucky Strike sigaretten rookt. Hij koopt er een slof van en biedt dat Schuurman aan. Vanaf het begin heeft hij begrepen dat omkopen er nou eenmaal bij hoort. Ook sloper Lowie bevestigt dit. Hij en Jan hebben veel werk van de gemeente. Ook ‘gemeentejongens’ zijn om te kopen. Ze hebben ‘veel te zeggen’ - als je ze niet een ‘voorschotje’ geeft, krijg je de sloopvergunning eenvoudig niet.

Maar deze opzichter reageert onverwacht op het voorschotje:

‘Jan, wil je dat nooit meer doen!’ Jan krijgt groot ontzag voor deze man en heeft naar zijn voorbeeld zichzelf nooit laten omkopen.

Jan ziet in Schuurman een persoonlijkheid. Een persoonlijkheid is voor hem iemand van wie hij kan zeggen:

‘Daar staat iemand.’ Jan heeft gevoel voor kwaliteit in een mens, maar dat is niet bij iedereen het geval - niet iedereen begrijpt de omgangstaal die het contact met de ingenieur verlangt. Deze Schuurman komt eens op het werk als hij een van Jans mannen op zijn buik aantreft in de stoffige ruimte tussen vloer en plafond.

‘Gaat het een beetje?’ vraagt de opzichter.

‘Ach meneer Schuurman,’ antwoordt de slopersknecht, in dienst van Jan, ‘ik voel me hier thuis als een hoer in een bed wortelen.’ Aldus Jan, die de anekdote meermaals met plezier opdist.

Dat Jan deze prestigieuze opdracht krijgt via de gerenommeerde hoofdaannemer Deenik, met instemming van de verantwoordelijke hoofden Monumentenzorg en Publieke Werken, zonder een ‘voorschotje’ te betalen, is een erkenning van het vakmanschap dat hij heeft opgebouwd. 

 

De kroeg…

Voor het ontladen is er het café. En niet alleen als tegenwicht voor het werk, Jan ontdekt de kroeg als zijn biotoop. Voor hem is het meer dan een gelegenheid tot ontspanning en lol, niet een plaats van vergeten en ouwehoeren, maar van het betere contact. Een echt gesprek, van mens tot mens, daar houdt hij van. Een goed verhaal kan hij bieden, maar ook een luisterend oor, een open oog en behoorlijk wat levenskennis. Dit vindt hij ook vaak terug bij de anderen. De kroeg juist als een plaats van waarde – op een manier die ik nog niet over het kroegleven heb gehoord. Jan doet er de opmerkelijke uitspraak over:

‘Je kwam tot de clou.’ Met een beetje drank, een beetje reuring om zich heen, kunnen mensen de openheid en het vertrouwen vinden om tot de kern te komen. Hij zal nooit met vrolijkheid over iets heen walsen. Sterker, in een omgeving waar ernst het meest taboe is, zal hij de eerste zijn die iets opmerkt wat serieuze aandacht verdient. Hij stelt zich open voor een weg door de zaak naar binnen, aan de oneigenlijke voorstellingen voorbijgaande, tot men vindt waar het om gaat.

Jan is al lang niet meer bang voor ernst. Er is een pasfoto uit het midden van zijn leven. Geen wazige glimlach op verzoek van de fotograaf. Hij heeft maling aan de fotograaf. Deze foto laat een diepe ernst zien, van een aangrijpende eerlijkheid, kwetsbaar, van een pijn die niet meer is te verhullen, de pijn van te weten waartoe mensen in staat zijn - de grafdiepe ernst van een door het leven uitgeharde persoonlijkheid. Alsof in de diepte een duisternis heerst.

 

De liefde…

Als ik dan na anderhalf uur van luisteren de blaren op mijn oren heb, zegt hij plotseling:

‘En nu moeten we eens praten.’ Ik proest mijn slok koffie door de kamer. Maar dìt praten betekent dat er een zaak is die moet worden besproken. Het onzichtbare register in hem beperkt zich niet tot zijn hoofd, maar gloeit door heel zijn lijf door, zonder dat ik er een idee van had. Nu is hij zo opgewarmd dat er iets moet gebeuren en wel zonder uitstel, voordat de impuls met de moed en de mogelijkheid weer voorbij zijn.

Hij waagt het erop te kennen te geven dat… hij meer met mij wil – meer dan alleen pratend tegenover elkaar te zitten. Zijn uitdrukking van dat meer is er een van discrete toenadering, een die mij raakt en later meer en meer zal ontroeren: hij zou met mij willen ‘samenliggen’. Dit zou iets zijn van grote gezelligheid, zo verleidt hij.

Ik raak hem, ik wind hem op. En wie is hij, de licht ontbrande, dat hij daar nee tegen kan zeggen? Hij wil wel een rustige oude dag, vrij om op zijn leven terug te kijken, o graag, maar als het smeulend vuur weer oplaait, is er weinig in hem om het te negeren. Toch moet er in stilte ook al een beslissing aan te pas zijn gekomen - hij in zijn laatste dagen, mij tot intimiteit uit te nodigen. Nee, het ligt niet voor de hand, daar heeft hij over nagedacht in mijn aan- en afwezigheid. Hij heeft besloten het uit te spreken. Als hij dit late avontuur wil continueren, en dat wil hij, dan kan het alleen maar zo.

Het woord samenliggen – is het in hem neergeslagen in zijn omgang met de bijbel? Zij legde zich bij hem neder, Ik heb bij hem gelegen, Zij kwam tot hem en hij lag bij haar - ik weet eigenlijk niet goed wat ik me daarbij moet voorstellen. Al in de herfst van mijn leven en nog te onervaren. Maar dat het van een andere dimensie is dan het vertellen en luisteren die tot nu toe de hele opzet waren, dat begrijp ik wel. Nee, ik waag het geloof ik niet. Hier ervaar ik mijn grens. Ik denk eraan hoe mijn leven, zoals dat past bij mijn generatie, een goed bewaakte constructie is, met creatieve bezigheden, die je tot in je diepste vezels in beslag nemen. Ik ben gewend aan een toegewijd kluizenaarsbestaan waarin ik tot een uur of vier in de middag niemand toe laat. Maar zeker weet ik het niet. Ik zeg Jan dat ik erover zal nadenken.

 

De geheimen…

Op het niveau van nabijheid is het leven van Jan onmiskenbaar verstoord geraakt en ook gebleven. De behoefte aan intimiteit lijkt daarbij even sterk als het onvermogen. Voor het onvermogen lijken er nu ook gronden: een diepe bron van onrust die telkens weer opspeelt.

Hoe oud is die bron? Wat laat zijn leven ervan zien? Moet het probleem van de nabijheid, de onbereikbaarheid van de liefde, op het niveau van werk worden gecompenseerd? In zijn werk is het dat hij al zijn kracht legt, zijn intelligentie, zijn toewijding en zijn plezier. In zijn werk kan hij zich uitleven.

 

© Helen Gerretsen

www.helengerretsen.nl

Presentatie Jij Vuurbrenger

 

Op 21 september 2016 is de biografie Jij Vuurbrenger over de Amsterdamse sloper Jan Tuinsma feestelijk gepresenteerd op een wel heel toepasselijke lokatie: het Amsterdam Museum aan de Kalverstraat had haar Gewelf ter beschikking gesteld, onder de bakstenen boogmuren, die in de 60er jaren mogelijk nog door sloper Tuinsma zijn kaalgebikt, bij de ontmanteling van het toenmalige Burgerweeshuis.

In gezelschap van oud-slopers, vrienden en familie van Tuinsma en vertegenwoordigers van enkele gemeentelijke diensten aangaande de bouw, bood schrijver Gerretsen het eerste exemplaar aan aan Karin Westerink, hoofd Bureau Monumenten en Archeologie, het vroegere Monumentenzorg, waarvoor Tuinsma veel heeft gewerkt. In haar dankwoord zei Westerink dat Monumentenzorg inmiddels het waardevolle aandeel van slopers erkent in het behoud van de fraaie binnenstad.